Hoofdlijnen
In hoofdlijnen komt de Wet levensloopregeling op het
volgende neer:
-
Per 2006 kan de werknemer sparen voor een periode van onbetaald verlof
of al vóór 65 jaar te stoppen met werken.
-
Een levensloopregeling moet schriftelijk worden vastgelegd. Ieder jaar
moet de werkgever een verklaring hebben van de werknemer of deze meedoet
aan de levensloopregeling of aan de spaarloonregeling.
-
Jaarlijks mag maximaal 12% van het brutosalaris worden gepaard voor
verlof. Het totale spaartegoed mag 210% zijn. Dat is 2,1 jaar verlof met
volledig inkomen of drie jaar verlof met 70% van het inkomen. Is de
werknemer 50 jaar of ouder? Dan kan hij extra snel sparen voor
levensloop, maar ook in dit geval nooit meer dan 210% van zijn laatst
bekende jaarloon.
-
Om dat percentage niet te overstijgen moet de werkgever controleren
hoeveel iedere werknemer aan levensloopsaldo heeft gespaard. Wanneer een
werknemer voorheen bij meerdere werkgevers heeft gespaard (en bij
meerdere instellingen), dan moet de werkgever het totale bedrag weten.
-
De werkgever is verantwoordelijk voor een juiste inhouding en afdracht
van de heffing in de opbouwfase, maar ook in de afbouwfase.
-
De werkgever moet de storting uiterlijk in de derde kalendermaand na het
verzoek van de werknemer effectueren.
-
Neemt de werknemer verlof op met behulp van zijn levenslooptegoed, dan
mag hij het tegoed blijven aanvullen tot het maximale percentage.
-
De werknemer betaalt geen belasting over het geld dat hij spaart in de
levensloopregeling. Dit wordt niet gezien als vermogen, dus geen
box-3-heffing. Wanneer de werknemer het tegoed opneemt, is hij wel
belasting verschuldigd als loon uit tegenwoordige arbeid, dus inclusief
de arbeidskorting.
-
Voor de werknemer wordt door de werkgever wel WW- en WAO-premie betaald
over de inleg. Sparen via de levensloopregeling heeft daardoor geen
gevolgen voor de hoogte en duur van een WW- of WAO-uitkering.
-
Bij opname van het tegoed krijgt de werknemer, ongeacht het bedrag dat
gespaard wordt, een belastingkorting van maximaal € 199 voor elk jaar
dat is gespaard. Dit houdt in dat de werkgever het aantal jaren dat
gespaard is moet bijhouden. Zodra de werknemer voor het opnemen van
onbetaald verlof het spaargeld van de levensloop gaat aanspreken, wordt
voordat het bedrag wordt belast, eerst de heffingskorting toegepast. De
heffingskorting kan nooit meer bedragen dan het opgenomen
levensloopbedrag.
-
Anders dan bij pensioen geldt de heffingskorting niet als het
levensloopsaldo wordt uitbetaald, zonder dat er sprake is van het
opnemen van onbetaald verlof.
-
De werkgever kan meebetalen aan de levensloopregeling. Dat mag van de
Belastingdienst alleen, als de werkgever geen voorwaarden stelt aan het
moment van opname van verlof en de werkgeversbijdrage ook wordt betaald
aan werknemers die niet meedoen aan een levensloopregeling.
-
Werkgevers en werknemers kunnen afspraken maken over een collectief
contract voor een levensloopproduct met een bank, verzekeraar of
dochteronderneming van een pensioenfonds. Deelname aan dit collectieve
contract is echter niet verplicht.
-
Een werknemer kan meedoen aan of de levensloopregeling of de
spaarloonregeling. Meedoen aan beide regelingen staat de fiscus niet
toe. Elk jaar moet opnieuw een keuze worden gemaakt voor de levensloop-
of spaarloonregeling.
-
Als een werknemer de levensloopregeling gebruikt voor ouderschapsverlof,
krijgt hij een belastingvoordeel.
-
Om ook ouderen in staat te stellen voldoende saldo op te bouwen om van
de levensloopregeling gebruik te maken, kunnen werknemers tussen de 51
en 56 jaar extra inleggen. (Werknemers die op 1 januari 2005 55 jaar of
ouder waren, houden hun VUT en prepensioen.)
-
Het is mogelijk dat een werknemer 210% van het laatstverdiende loon
heeft gespaard en vervolgens minder gaat werken of een baan met een
lager salaris accepteert (demotie). In dat geval hoeft het gespaarde
bedrag boven de 210% van het nieuwe salaris niet te worden teruggestort,
maar mag het onbelast op de rekening blijven staan. Het is dan echter
niet meer mogelijk om bij te storten.